Hoe ziet het verleden van de kerk er uit?
De bouwgeschiedenis van de kerk
Meer informatie over enkele interieur-elementen
Wat is er te zien en te beleven in de omgeving van de kerk
De actualiteit...

Historie

Bron: Het Rijk van Nijmegen, Oostelijk gedeelte en de Duffelt, door A.G. Schulte, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1983, p.218-221.

De NH-kerk eind 19de eeuwHet staat vast dat reeds in de tweede helft van de 13de eeuw in Ooij een kapel stond, want zij wordt vermeld in de lijst van kerken en kapellen tussen Maas en Waal. Deze kapel, die aan St. Hubertus was gewijd, zou vanuit Nijmegen zijn gesticht, daar de kroniekschrijver Willem van Berchen haar een dochter van de Nijmeegse hoofdkerk noemt. Het kapittel van de Apostelenkerk te Keulen bezat in Ooij enige grote en kleine tienden, die in 1285 onder bepaalde voorwaarden aan de heer van Ooij (Gerhard de Oije) werden verkocht. Omdat er in 1402 sprake is van het kerspel Ooij moet de kapel voordien de status van parochiekerk hebben verw'orven. De kerspelgrenzen vielen samen met die van de heerlijkheid. Een visitatieverslag van 1505 vermeldt drie vicarieën en altaren respectievelijk gewijd aan de H. Catharina, de H. Maagd en het H. Kruis.

Uitsnede kaart Kwartier van Nijmegen, Christiaan Sgroten, 1573Wie het collatierecht bezat is niet bekend, vermoedelijk was het de heer, hoewel dit later door de kerkelijke gemeente fel is bestreden. De heren schijnen zich nogal wat rechten in de loop der tijd te hebben toegeëigend. Tijdens een in 1851 gevoerd proces is het nodige bewijsmateriaal voor en tegen op tafel gebracht. De Hervormde gemeente wordt ten slotte in het gelijk gesteld, maar door de geschiedenis heen zien wij de heren en vrouwen van de heerlijkheid een dominerende rol spelen en zich gedragen als collator, soms zelfs als eigenaar van het kerkgebouw.

De eerste predikanten die na de invoering van de Hervorming in Ooij werden beroepen, ds. Veldhusius (1602) en ds. Gobelius (1605) werden 'op begeeren der gemeente en alzoo zonder collatie beroepen'. Bij de aanstelling van ds. Lefferius in 1625 (vroeger predikant te Nijmegen, maar om zijn Remonstrantse gevoelens ontzet) werd het consent van de Vrouwe van Ooij gevraagd.

Wanneer men in 1717 bij de heer aanklopt voor betaling van nodige reparaties aan kerk en pastorie, weigert deze bij monde van zijn rentmeester Van Tright. In 1781 werd Albertine van Bylandt nog begraven in de kerk. In 1788/1790 werden de pastorie en het kostershuis gelijk met de kerk en de toren vernieuwd en verbeterd. Het is waarschijnlijk de laatste grote onderhoudsbeurt geweest voor de 19de-eeuwse metamorfose.

Toen in november-december 1794 de Franse troepen bij Millingen de bevroren Rijn overstaken is aan het dorp Ooij, met name aan het kasteel en de kerk, ernstige schade toegebracht. De schadelijst die op 17 oktober 1796 werd opgemaakt vermeldt 'dat uijtgebrooken en weggenoomen is, den Predickstoel verdere gemoilleerde glasraamen en den vloering der zelver kerk...' De geraamde schade is f 540,-. Ook de kerkelanden moesten het ontgelden, met name de Groote en Kleine Pastoorskamp, de Wedakker en het Stelletje, waarop de bezetters batterijen plaatsten. De militaire werken en de bivakvuren verzwolgen ramen en deuren en het schaarse bomenbestand van de heerlijkheid. De totale schade aan kerk en kerkelanden bedroeg ten slotte f 2125,- meegerekend f 40,- 'voor een Zilveren Avonds Maal Beeker uijt de kist gehaald'.

Een nieuwe slag trof Ooij in januari 1809, ten gevolge van een hoge watervloed en dijkdoorbraak. In Ooij stortte het grootste gedeelte van de pastorie en het kostershuis in. Het kostershuis is herbouwd, maar de pastorie is in 1821 geheel gesloopt. In 1819 richtte de weduwe van de graaf Van Bylandt, vrouwe Caroline van Wassenaar, een rekest aan Z.M. Koning Willem I met het verzoek om toestemming tot afbraak van de kerk en toren in Persingen en van de toren te Ooij. De beschikbaar komende gelden zouden worden besteed aan reparatie van de kerk in Ooij. De toestemming wordt verleend, maar de afbraak gaat niet door. Het Persingse kerkje werd verkocht aan een particulier. De bediening te Ooij geschiedde vanuit Beek, waar ds. Exalto d' Almaras predikant was, die Ooij liever met Millingen gecombineerd zag, hetgeen na 1819 ook tijdelijk geschiedde. Na het overlijden van deze predikant werd overeenkomstig een voorstel van vrouwe Van Bylandt bij K.R. vastgesteld, dat de jaarlijkse toelage voor de predikant die f88,- bedroeg, niet meer uit 's lands schatkist zou worden betaald, maar door de Erven van de graaf, die zich erop beriepen dat zij de enige erfgenamen en eigenaren van de kerk te Ooij waren.

In 1820 geeft de graaf aan de pastoor van de parochie Ooij-en-Persingen in een koel briefje te verstaan op diens verzoek om alsnog de niet in gebruik zijnde kerk aan de katholieken over te doen niet in te gaan, daar men voornemens is de kerk nog datzelfde jaar te herstellen en in gebruik te nemen. Dit herstel vond echter pas plaats in 1822 zoals blijkt uit de rekeningen van de kerk- en pastoriegoederen in het archief van de Heeren van Ooij en Persingen. Bij de rekeningen van 1822 bevindt zich ook nog het bestek van de uitgevoerde werkzaamheden, dat het herstel omvatte van het driebeukig schip en de toren en de bouw van een aan de oostzijde rechtgesloten gerfkamer boven de grafkelder van de grafelijke familie. Het bestaan van deze grafkelder en van 'een Capel aan de Kerk annex aan de familie Van Bylandt toestendig...' vormden ook al in 1800 argumenten ter bekrachtiging van de possessie van het gebouw door de protestantse gemeente. Op een verpondingskaart van het Circul van den Ooij vervaardigd in 1809, het jaar van de catastrofale watersnood, komt het kerkgebouw voor met een kleine halfronde sluiting. Nu is de weergave van de bebouwing op deze kaarten tamelijk globaal. Het kadastraal minuutplan van 1820 is in dit opzicht meer betrouwbaar. Hierop komt echter alleen de toren met het schip voor. Een koorpartij ontbreekt. Ook deze weergave is niet geheel exact, want van het middeleeuwse koor bleven na afbraak de noord- en zuidmuur ter lengte van de koortravee met delen van de steunberen gespaard, die bij het in 1822 uitgevoerd herstel werden opgenomen in de 'gerfkamer'. De verbouwing werd uitgevoerd door de Ubbergense meester-timmerman H. J. Pieck voor f 1800,- op kosten van Caroline van Wassenaar, douairière van graaf Otto W.H. van Bylandt. Op 20 augustus 1823 werd handopening verleend. De vrouwe van de heerlijkheid schonk een nieuwe preekstoel, de banken, een avondmaalsbeker met twee borden en een doopbekken.

Uitsnede kadastrale kaart Gemeente Ubbergen, nr.1 - 1867Had men zich aanvankelijk nog moeten behelpen met predikanten die niet in Ooij woonden, na 1830 verbeterde de situatie. Van 1830 tot 1839 stond ds. H. Blankert in Ooij. Na zijn vertrek naar Zwartsluis werd ds. George Hendrik Brand beroepen, die op zijn beurt in 1851 werd opgevolgd door ds. W.B.H. van Tright. Teneinde deze predikant en de koster-schoolmeester een behoorlijke woning ter beschikking te kunnen stellen, beraadde men zich in 1856 over de bouw van een nieuw pastoriehuis. Om dit doel zo voordelig mogelijk te bereiken brak men het kerkschip met uitzondering van de buitenmuren tot aan de pijlerbases af om er een pastorie en kosterswoning van te maken. De ruimtes in de toren werden bij de woning getrokken. De gerfkamer brak men weer gedeeltelijk af en op de grondslagen van het middeleeuwse koor werd een nieuw zaalkerkje gebouwd.

De bouw werd in september van dat jaar aanbesteed voor f 5300,-. Helaas verkocht men te zelfder tijd een kostbare luidklok voor f904,30. De bouw vorderde gestaag en was in september 1858 bijna gereed. Predikant W.B.H. van Tright verlangde ten slotte nog enige wijzigingen en betrok pas in mei 1859 definitief de nieuwe woning. Koster H. van den Briel bewoonde toen al de toren en het westelijk deel van het huis. Dank zij de rekening en verantwoording van uitgaven en ontvangsten voor het jaar 1858 zijn enige namen bekend van degenen die bij de bouw betrokken waren: aannemer B. W. Michielsen, metselaar J. Knoops, de steenhouwer J.P. Bisschop en de schilder Everts.

In 1925-1926 is er voor het laatst een grote overstroming geweest. Echter doordat de pol waarop de kerk stond inmiddels was opgehoogd bleef de schade voor de kerk deze keer beperkt.

Overstroming 1926 - Copyright AVIODROME Luchtfotografie - Lelystad, www.aviodrome.nl


 

Startpagina Contactinformatie Het privé-gedeelte...