Hoe ziet het verleden van de kerk er uit?
De bouwgeschiedenis van de kerk
Meer informatie over enkele interieur-elementen
Wat is er te zien en te beleven in de omgeving van de kerk
De actualiteit...

Bouwgeschiedenis voormalige NH-kerk Ooij

Bron: Het Rijk van Nijmegen, Oostelijk gedeelte en de Duffelt, door A.G. Schulte, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1983, p.221-228.

Aanvankelijk zal in Ooij een eenbeukige kapel hebben gestaan, waarvan geen zichtbare resten zijn aan te wijzen. Evenmin is bekend of deze kapel in een of meer bouwfases tot stand is gekomen. Zij moet ongeveer de omvang hebben gehad van het later middenschip. Na de verheffing van de kapel tot kerspelkerk is aan het eind van de 14de of in het begin van de 15de eeuw een gotisch koor gebouwd met een kapel of sacristie tegen de noordzijde. Hiervan is de koortravee nog gedeeltelijk gespaard gebleven. Het aansluitende eenbeukige schip is in de tweede helft van de 15 de eeuw uitgebreid met zijbeuken en een westtoren, waarvan het portaal met een grote spitsbogige doorgang in open verbinding stond met het middenschip van de pseudo-basîlicale kerkruimte. Na de Reformatie bleef de kerk ononderbroken in gebruik maar was voor de door ontvolking van de polder sterk geslonken bevolking, die bovendien slechts voor een zeer klein percentage uit Hervormden bestond, veel te groot. In het begin van de 19de eeuw is de toestand van de kerk dusdanig verslechterd, dat men in 1822 een ingrijpend herstel moest uitvoeren, het koor verlaagde en inkortte tot een rechtgesloten gerfkamer boven de grafkelder van de grafelijke familie Van Bylandt.

In 1856 werd besloten tot afbraak van het kerkschip, dat werd vervangen door het thans bestaande dubbele woonhuis. Voor de kleine gemeente bouwde men een nieuw zaalkerkje dat de omvang kreeg van het middeleeuwse koor. Daartoe is de oostelijke muur van de gerfkamer van 1822 weer gesloopt, maar het middeleeuwse muurwerk van de oude koortravee bleef behouden en werd opgenomen in de zijmuren van het nieuw gecreëerde kerkzaaltje. Naar boven

Toren
Het meest gaaf bewaarde onderdeel van het middeleeuwse kerkgebouw is de toren, opgetrokken in rode baksteen, formaat 26/27 x 13/14 x 7,5 cm, 10 lagen 80 cm. De voet is uitwendig beraapt met Portlandcement waarin een blokverdeling is getrokken. Het torenlichaam bestaat uit drie geledingen die door smalle cordonlijsten van elkaar zijn gescheiden. In de westgevel is beganegronds in plaats van de ingang, waarvan de dorpel door terreinophoging een eind onder de huidige grondslag moet worden gezocht, een groot schuifvenster geplaatst en aan de zuidzijde zijn tuindeuren gemaakt , waardoor de vroegere portaalruimte in een woonkamer is veranderd. De toren is aan de noordzijde belend door de bijkeuken van de voormalige kosterswoning. Tussen de zoldervloer en het lessenaarsdak van deze bijkeuken is de noordmuur niet beraapt, maar bestreken met een door vochtwerking afbladderende laag witkalk, waaruit blijkt dat het kerkgebouw eertijds aan de buitenzijde was gewit.

De aan deze zijde vrijliggende cordonlijst tussen de eerste en de tweede geleding bestaat uit een band van iets uitspringend gemetselde, plat liggende bakstenen, die aan de bovenzijde zijn afgerond. Midden boven deze lijst bevindt zich een spleet­venster, waarvan de onderdorpel is weggehakt. Dit venster, dat ontlast wordt door een spitsbogige rollaag, bevindt zich ter hoogte van de torenkamer op de verdieping. Het is vanuit dat vertrek echter niet te zien, omdat er een spouwmuur is voorgezet. Identieke rollagen treft men ook aan boven de schuifvensters in de west- en zuidgevel, die 1856-57 zijn ingebracht om de torenkamer op de eerste verdieping geschikt te maken voor bewoning. De thans achter een betimmering schuilgaande zoldering van deze kamer wordt gevormd door een constructie van oude moerbalken met inkepingen voor de kinderbalken, die een veel jongere vloer dragen. Boven de balken zijn ten dele de eerder genoemde rollagen van spitsbogige ontlastingsbogen zichtbaar. De toegang tot deze kamer op halve hoogte van het torenportaal bevindt zich in een vulmuur in de kop van de spitsbogige doorgang tussen toren en schip. De spitsboog is zichtbaar vanaf de bovengang in het woonhuis en loopt door in de kasten van de aan weerszijden gelegen kamers. De toren kamer op de tweede verdieping is bereikbaar vanaf de zolder van het woonhuis. De ruimte wordt verlicht door twee spleetvensters in de westgevel. Op manshoogte bevinden zich een aantal balkgaten. In deze ruimte is een grote houten verstijvingsconstructie aanwezig, waarvan de jukken op korbelen tegen de oost- en westmuur staan. Op het houtskelet zijn enige merken zichtbaar.

Haantjesdag 29 oktober 1994, rechts de in 1968 verwijderde door kogels doorzeefde haan, links de nieuwe haan - Copyright Bert BeelenEven boven de grote balkgaten vertoont het muurwerk een periodegrens, die ook buiten aan een lichte verkleuring van de baksteen zichtbaar is. Boven deze ruimte bevindt zich de huidige klokkeverdieping met dubbele spitsbogige galmgaten. Zij is bereikbaar via een houten trap die langs het oude houtskelet loopt. De vloer van deze jongere klokkeverdieping rust op het genoemde skelet. Deze ruimte, waarin een grenehouten klokkestoel staat opgesteld, wordt gedekt door een betonnen zoldering die de ingesnoerde spits draagt. De in de Voorloopige Lijst genoemde door Petit en Fritsen in het eerste kwart van de 19de eeuw gegoten luidklok, die mogelijk naast de oudere, in 1856 verkochte 17de-eeuwse klok hing, is tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen. Haantjesdag 29 oktober 1994 - Copyright Jet Budelman - www.jetbudelman.comDe torenhaan, totaal doorzeefd met kogels ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, werd i.v.m. de deplorabele toestand van de toren in het voorjaar van 1968 verwijderd. Ruim 25 jaar later (Haantjesdag, 29 oktober 1994) werd na een belangrijke renovatie van de kerk, waarvan het herstellen van de torenspits onderdeel was, de toren weer bekroond met kruis, haan en bol. Naar boven

Resten van het middeleeuwse schip
Van het middeleeuwse kerkschip zijn fragmentarisch enige bouwonderdelen gespaard gebleven na de grootscheepse verbouwing van de kerk tot woonhuis in 1856-1858. Bij deze bouwcampagne is de grondslag buiten de kerk sterk verhoogd. De kerk stond vanouds reeds op een pol, maar de voortdurende dreiging van het rivierwater heeft een herhaalde verhoging bewerkstelligd. Bij de bouw van het woonhuis is gebruik gemaakt van de bestaande zijbeuksmuren, die de bovengevels van de dubbele woning dragen. In het zuidelijk gedeelte van het schip werden twee kelders geprojecteerd. In deze kelders bevinden zich nog de resten van enige pijlers en muurschalken. In de oostelijke kelder is het zuidelijk gedeelte van de voet van de triomfboog nog aanwezig, alsmede twee gedeeltelijk in het muurwerk van de kelder opgenomen basementen van de oostelijke middenschipspijlers en een daarmee corresponderende schalk tegen de zuidmuur. In de westelijke kelder zijn nog een volledig pijlersbasement en daarmee corresponderende muurschalken tegen de west- en zuidmuur aanwezig. Uit deze vitale punten blijkt, dat het schip heeft bestaan uit een driebeukige ruimte met een lengte van drie traveeën. Het schip is overwelfd geweest met kruisribgewelven, hetgeen de midden-19de-eeuwse interieurtekening bevestigt. De plattegrond van het driebeukige 15de-eeuwse schip is in tekening goed te reconstrueren.

Het muurwerk van de woonhuisgevels is met cement bepleisterd. Het kan slechts gedeeltelijk oud zijn, aangezien vensters en deuren zich bevinden op de plaats, waar tegen de middeleeuwse zijschepen steunberen moeten hebben gestaan, die nog zijn te zien op de tekening van C. Pronk. De oost- en westmuur bevatten daarentegen wel middeleeuws muurwerk. In de westmuur van de voormalige noorderzijbeuk is vanuit de bijkeuken de spitsboog van een voormalig venster te zien. Rechts daarvan bespeurt men boven de zoldering van de bijkeuken een zetting op ca. 1,50 m afstand van de noordmuur van de toren. Deze verspringende scheur geeft wellicht de breedte aan van de eenbeukige voorganger van het tot een driebeukige ruimte uitgebouwde kerkschip. Het steenformaat van de westmuur en de toren is gelijk. De aansluiting van westmuur en toren vertoont een moet in de noordelijke torenmuur op eensteensbreedte van de westmuur. Vanaf de woonhuis­zolder ziet men tegen de toren duidelijk de dakmoet van het middenschip.

Constistoriekamer, triomfboog met muurschildering, april 1973. Copyright RDMZ, A.J. van der WalIn de consistoriekamer was een gedeelte van het zuidelijk gedeelte van de triomfboog met de restanten van een muurschildering zichtbaar. Tot en met de zeventiger jaren ging deze deels schuil achter een enorme, door kasten geflankeerde bakstenen schoorsteenwand. De boog verdwijnt in de links naast de kamer gelegen gang, waar de kruin door het plafond aan het oog wordt onttrokken. Rechts van de schoorsteen bevindt zich in de oostmuur een spitsbogige vensterkop. Meer informatie over bovengenoemde en een later teruggevonden muurschildering vind u hier. Naar boven

Koorpartij van de middeleeuwse kerk
Van het middeleeuwse koor, dat zeer waarschijnlijk dezelfde grondslag heeft gehad als het huidige zaalkerkje, een travee met 5/8ste sluiting, resteert alleen het muurwerk van de koortravee. De westelijke steunbeer aan de zuidzijde is opgenomen in de oostmuur van de zijbeuk. Deze muur sluit koud tegen de steunbeer aan blijkens de duidelijk zichtbare verticale moet. Het koor is dus ouder dan het pseudobasilicale schip. Oorspronkelijk was het koor aan de zuidzijde onbelend. Daarop wijst het in donkere koppen gemetselde ruitpatroon.

Aan de noordzijde tussen koor en zijbeuk stond eertijds een zijkapel of sacristie, waarvan resten te zien zijn in de vorm van muurfragmenten en fundamenten in de bodem. In de noordmuur is in 1950 onder de grondslag een piscinanis teruggevonden en door architect Van der Kloot in tekening gebracht. Mogelijk is deze ruimte de al eerder vermelde 'Capel aan de Kerk annex de heren Van Bylandt toestendig'. Naar boven

De zaalkerk van 1856
Het eigenlijke kerkgebouw staat als een appendix tegen het naar verhouding kolossale woonhuis. Het is een in Waalsteen opgetrokken gebouwtje, dat de middeleeuwse koorfundering als grondslag heeft. Het met pannen gedekte kerkje wordt verlicht door vier spitsbogige vensters met gietijzeren traceringen, die in de sluiting aan weerszijden van de preekstoel waren aangebracht. De noord- en zuidmuur bestaan deels uit de overigens sterk verlaagde muren van de middeleeuwse koortravee. Deze muurfragmenten had men na de afbraak van het oude koor laten staan en opgenomen in de in 1822 gebouwde zogeheten grafkamer, feitelijk een gerfkamer boven de grafkelder van de heren van de heerlijkheid, de graven Van Bylandt. De epitaaf zoals beschreven onder interieur hing tussen 1822 en 1856 dus in een afgesloten kamer. Hij bleef op dezelfde plaats hangen toen men in 1856 de 'gerfkamer' aan de oostzijde vergrootte en tot zelfstandige kerk uitbouwde.

De afwerking van het kerkinterieur is uiterst sober. Vlakke witte wanden en een stucplafond met kooflijst. De meubilering bestond uit een kansel en twee kleine bankenblokken. De noordkapel is na de bouw van de pastorie dienst gaan doen als entree tot het als consistoriekamer ingerichte vertrek in de pastorele woning en -misschien al eerder -als voorportaal van de nieuwe zaalkerk. Beide toegangen die op de opmeting van 1950 nog voorkomen, zijn dichtgemetseld toen men nadien de indeling van de woning veranderde. De consistoriekamer werd verplaatst naar de oostelijke woonkamer van de pastorie. Gang en hal van de domineeswoning namen de entreefunctie over. De kerkzaal kreeg een nieuwe toegang in de as van de ruimte. Nadat in het zaalkerkje al geruime tijd geen diensten meer waren gehouden, kreeg ook deze ruimte een woonbestemming in het midden van de jaren zeventig. Naar boven

Restauraties
De kerk midden jaren tachtigDe kerk werd voor de eerste keer op grote schaal gerestaureed in 1950. De hele kerk werd onder leiding van architekt A. van der Kloot onder handen genomen. In de afgelopen 20 jaar heeft de kerk wederom een groot restauratieproces doorgemaakt. Werd er midden jaren '80 gestart met het opstellen van de eerste plannen, eind jaren tachtig en begin jaren negentig werd er daadwerkelijk gestart en werd de kerk werd van binnen en van buiten grondig gerestaureerd en gerenoveerd. Hierbij De kerk in volle glorie (2004)kwamen achtereenvolgens de verschillende woongedeelten aan de buurt. Rond 1999 was men met de belangrijkste werkzaamheden klaar, maar, vijf jaar later werd het puntje op de "i" gezet met de restauratie van de kapconstructie van het zaalkerkje. Gebroken spanten, houtrot en houtworm maakte deze restauratie, wederom uitgevoerd door aannemersbedrijf Van Dinther, noodzakelijk.




Inhoudsopgave:

Bouwgeschiedenis
Toren
Resten van het middeleeuwse schip
Koorpartij van de middeleeuwse kerk
De zaalkerk van 1856
Restauraties

Bouwbedrijf van Dinther

Startpagina Contactinformatie Het privé-gedeelte...